« Terug naar het overzicht
Veel losse eindjes in pensioenakkoord
Herman Bouter
2-7-2011

Afgelopen maand hebben de sociale partners en het kabinet afspraken gemaakt over de verhoging van de pensioenleeftijd en aanpassing van het huidige pensioenstelsel. In een notitie liet het Centraal Plan Bureau zijn eerste licht schijnen op de gevolgen van het pensioenakkoord.

Veel losse eindjes in pensioenakkoord

Afgelopen maand hebben de sociale partners en het kabinet afspraken gemaakt over de verhoging van de pensioenleeftijd en aanpassing van het huidige pensioenstelsel. In een notitie liet het Centraal Plan Bureau zijn eerste licht schijnen op de gevolgen van het pensioenakkoord.

Herman Bouter

De vraag is wat het pensioenakkoord waard is, nu de FNV het intern oneens is. Aangezien de overige partijen graag willen vasthouden aan dit moeizaam bereikte akkoord, is het voor u echter wel van belang te weten wat de afspraken behelzen.
Allereerst gaat de AOW-leeftijd omhoog. In 2020 naar 66 jaar en in 2025 waarschijnlijk naar 67 jaar. Nieuw is dat de AOW flexibel wordt. De ingangsdatum kan maximaal 5 jaar worden uitgesteld. Uitstel levert de pensioengerechtigde per jaar een 6,5% hogere AOW-uitkering op. U mag ook de AOW eerder laten ingaan, maar niet eerder dan 65 jaar. Eerder in laten gaan, betekent een korting van 6,5% per jaar. Daarnaast wordt de AOW-uitkering in de periode 2013-2028 jaarlijks extra met 0,6% verhoogd en worden in 2020 de heffingskortingen voor ouderen gewijzigd.
Voor de aanvullende pensioenen wordt voorgesteld de pensioentoezeggingen te vertalen naar uitkeringen, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van prijzen of lonen. In de huidige pensioenoverzichten wordt daar geen rekening mee gehouden en bent u voor indexatie afhankelijk van de beleggingsresultaten van uw pensioenfonds. Door het pensioenakkoord staat straks de pensioenuitkering niet langer meer vast, maar is deze afhankelijk van de beleggingsresultaten. Vallen die tegen, dan zal een verlaging van de opgebouwde pensioenen en pensioenuitkeringen het gevolg zijn. Pensioenen zullen meedeinen op de golven van de beleggingsresultaten van pensioenfondsen.
Voor al opgebouwde pensioenrechten wordt onderzocht of die ook onder deze nieuwe regeling gebracht kunnen worden. Cruciaal voor de beleggingsresultaten is het risico dat pensioenfondsen met het hun toevertrouwde vermogen nemen. Een hoog risico kan een hoger of een lager pensioen opleveren. Een laag risico geeft in de regel een lager pensioen, maar de kans dat het pensioen echt tegenvalt is ook lager. De beleggingsresultaten van veel pensioenfondsen van de afgelopen jaren voorspelt niet veel goeds. De doelstelling was te veel gericht op het behalen van rendement en te weinig op risicobeheersing.
Nieuw is het voorstel dat pensioenfondsen het verwachte beleggingsrendement mogen hanteren voor het bepalen van de dekkingsgraad waar dat op dit moment nog de marktrente is. Hierdoor worden zij geprikkeld te beleggen met een hoge rendementsverwachting en dus ook een hoog risico. In extreme situaties kunnen pensioenfondsen een dekkingstekort weg poetsen door hogere risico’s te accepteren en daarmee een hoger verwacht rendement na te streven. Dit is ook één van de aandachtspunten waar het CPB op wijst. Een ander aandachtspunt is dat door een hoog risico met een daarbij behorend hoog verwacht rendement de zaken beter worden voorgesteld. Daardoor krijgen de pensioengerechtigden mogelijk meer pensioen dan waar zij recht op hebben en moet de jongere generatie maar afwachten hoeveel pensioen er voor hen overblijft. Als ik de bevindingen van het CPB goed lees, dan zijn er teveel open einden om echt van een akkoord te kunnen spreken. Dat nog afgezien van de interne strubbelingen bij de FNV.