Add Value Fund / Ohpen Groei Fonds / ING Liric Grondstoffen oktober 2015 / Deposito
Beoordeling artikelen:
| F | ongelezen weggooien |
| FF | gelezen weggooien |
| FFF | alleen als het u past |
| FFFF | zeker het overwegen waard |
| FFFFF | aanrader |
| Wat: | Keijser Capital Asset Management |
| Van wie: | Add Value Fund |
| Oordeel: | FFFFF |
Met beleggen in de grote beursgenoteerde ondernemingen is vaak weinig toegevoegde waarde te halen. Een fondsmanager mag blij zijn als ie de index met een paar procentjes kan verslaan en dan is een indextracker vaak een prima alternatief. Bij middelgrote en kleinere beursgenoteerde ondernemingen kan een fondsbeheerder veel meer toegevoegde waarde leveren. Die bedrijven kunnen soms nog flink groeien of overgenomen worden tegen een fikse premie op de beurskoers. Slechts weinig beheerders hebben zich daarin gespecialiseerd. Willem Burgers, beheerder van het Add Value Fund, geldt echter al heel lang als een expert in dit specialistische stukje van de beleggingswereld. Zo stond hij van 1990 tot en met 2002 aan het hoofd van het succesvolle Orange Fund van Kempen & Co waar hij goede resultaten mee boekte. Uit die tijd dankt hij de geuzennaam ‘mister smallcap’. Een affaire rondom het aandeel Landis maakte dat hij een aantal jaren in de luwte moest opereren, maar sinds 2007 is hij terug met het Add Value Fund. En hoe. Het fonds belegt in circa twintig middelgrote beursgenoteerde ondernemingen zoals Unit 4, Hunter Douglas, Imtech, Nedap, Brunel en anderen. Ongeveer 80% van de portefeuille is belegd in slechts tien aandelen. Die sterk gefocuste aanpak leidde in 2009 en 2010 tot een rendement van respectievelijk 55% en 51%. In rampjaar 2008 was er echter een verlies van 43% wat overigens zo’n 6% beter was dan de AEX-index in dat jaar. Wie begin 2007 bij de start van het fonds was ingestapt stond eind 2010 op een winst van ruim 29%, ondanks de kredietcrisis. Het specialistische karakter van het fonds zorgt ook voor de nodige kosten. De jaarlijkse vergoeding is 1,75% over het belegde vermogen plus een prestatievergoeding van 10% (maar alleen over het deel van het rendement dat boven de 10% uitkomt). Verliezen uit de voorgaande twee jaar worden eerst verrekend vóórdat er überhaupt sprake kan zijn van een prestatievergoeding. Wie op zoek is naar een fonds met een uitgesproken visie
en aanpak zou dit fonds moeten overwegen. Gebruik het wel als een aanvulling op een breed gespreide aandelenportefeuille, dus niet meer dan 5-10% van uw aandelenbeleggingen.
| Wat: | Ohpen Groei Fonds |
| Van wie: | Ohpen |
| Oordeel: | FFFF |
Aanbieder Ohpen bestaat inmiddels alweer enige tijd en diverse lezers vroegen mij eens naar hun fondsen te kijken. Bij deze. Ik neem daarvoor het Ohpen Groei Fonds, de meest offensieve variant. Op basis van de meest recente factsheet ten tijde van dit schrijven is ruim 48% belegd in aandelen, bijna 11% in vastgoed, bijna 37% in obligaties en het restant van 4% in alternatieve beleggingen. Ohpen maakt bij het invullen van de portefeuille gebruik van indextrackers. De toegevoegde waarde van de beheerder moet komen uit een optimale mix van die indextrackers. Daarbij maakt Ohpen gebruik van de Nobelprijswinnende modellen van Markowitz en Sharpe. Het zal wel. Wat telt is het resultaat. Om dat te vergelijken, meet Ohpen zich ten opzichte van een mandje dat voor 60% bestaat uit de MSCI World Index en 40% de Barclays Capital Euro Corporate Bond Index. Van 1 februari 2010 tot 1 februari 2011 leverde dat indexmandje een rendement op van 12,63% terwijl het Ohpen Groeifonds een rendement bood van 15,26%. De index werd dus verslagen met zo’n 2,6%. Netjes, maar niet spectaculair. Dat is ook niet wat Ohpen nastreeft. Ze spreken zelf over een ‘gestage en stabiele groei van het vermogen’. De toegevoegde waarde moet komen uit een goede verdeling van de beleggingen over de verschillende categorieën en niet door een slimme keuze in aandelen te maken. Daarvoor worden indices genomen. Met hetzelfde risico een beter rendement maken is wat men nastreeft. Tot dusver lijkt dat aardig te lukken tegen totale kosten van 1,0% per jaar. Ohpen klopt zich op de borst met de mededeling dat dit 80% goedkoper is dan bij de meeste andere banken. Dat laatste lijkt mij een tikje overdreven. De kosten zijn aantrekkelijk voor beleggers die tien mille inleggen, maar met grote vermogens kun je elders ook terecht voor een ‘all-in fee’ die in dezelfde orde van grootte ligt. Maar ik geloof wel in de filosofie van deze aanbieder. Door de aanpak wordt een enorme spreiding bereikt over vele sectoren en landen (zie daarvoor het factsheet). Jammer alleen dat er (nog) geen ècht offensief fonds wordt aangeboden met dezelfde filosofie. Deelnemen kan alleen online.
| Wat: | ING Liric Grondstoffen oktober 2015 |
| Van wie: | ING |
| Oordeel: | FFFF |
Beleggen in grondstoffen was in 2008 ongekend populair. De prijzen stegen razendsnel en zouden verder stijgen. Dat optimisme werd door de kredietcrisis vakkundig de kop in gedrukt. Toch is het verhaal in 2011 terug van weggeweest: de economie dreigt aan te trekken en opkomende landen zullen steeds meer grondstoffen nodig hebben: tekorten aan olie en metalen, maar ook aan graan, rijst en maïs dreigen. Een lezer vraagt mij eens te kijken naar de ING Liric Grondstoffen 2015. ING kwam in 2009 — juist na de daling van de grondstoffenprijzen — met dit garantieproduct. Net als de andere producten uit de Liric-familie kent dit product een eindwaardegarantie. Minimaal krijgt u op 2. oktober 2015 95% van de startwaarde terug. Daar is het u natuurlijk niet om te doen. U wilt profiteren van de stijging van de grondstofprijzen. Daarvoor kent dit product een koppeling aan de Dow Jones-UBS Commodity Index. Niet volledig, want u doet mee voor 71% van de stijging van die index en krijgt dat dan uitgekeerd bovenop de garantiewaarde van 95%. De index bestaat voor ongeveer 33% uit energie, voor 31% uit agrarische grondstoffen en voor 31% uit metalen. Een restpost van 6% is belegd in ‘livestock’ — beesten dus. De index steeg in 2008 naar een recordhoogte om daarna meer dan te halveren. Na die daling kwam ING met dit product waarbij de startwaarde lag op een indexstand van 123,4. Ten tijde van dit schrijven staat de index op 165,3, ruim 33,9% hoger dan de startwaarde. Zoals gezegd, de belegger krijgt 71% bovenop de garantiewaarde van 95%, wat bij de actuele stand van de index een waarde oplevert van (95% + (71% x 33,9%) =) 119,1. De koers van dit product is echter slechts 113,9, zodat u kunt instappen met een aardige korting (ruim 5%), want als de index gelijk blijft krijgt u op einddatum méér uitgekeerd dan wat u nu betaalt. Daar komt de eindwaardegarantie van 95% nog als extra zekerheid bij. De kosten zijn slechts 0,4% op jaarbasis. Vaak loont het de moeite om dergelijke producten pas na verloop van tijd te kopen. Uw bank verkoopt u om hun moverende redenen (provisie) liever de nieuwste variant. Tweedehands zijn de mogelijkheden vaak interessanter. Ook hier.
| Wat: | Deposito |
| Van wie: | Bigbank |
| Oordeel: | FF |
Wie ondanks Icesave nog steeds halsstarrig op zoek is naar de allerhoogste spaarrente, zou eens kunnen neuzen bij de Bigbank. Deze Estse bank, sinds kort in Nederland actief, tracht met aantrekkelijke rentevergoedingen geld uit de Nederlandse markt te halen. Met minimaal €.30.000 komt u in aanmerking voor de hoogste rentetarieven. Vijf jaar de rente vastzetten levert 4,15% op, tien jaar 4,50%, jaarlijks uit te keren. Met minder geld is de rente overigens maar 0,10% lager en dus nog steeds aantrekkelijk. Maar is ie ook aantrekkelijk genoeg? Van het Icesave-échec hebben we geleerd dat je als spaarder aangewezen bent op de garanties die gelden in het land van herkomst van de bank. Bij Bigbank is dat Estland en daar zijn het de Estlandse banken die onderling zorgen voor de garantie van €.100.000 per spaarder, via een soort garantiefonds. Dus niet de Estlandse overheid. Vervolgens moet u zich realiseren dat Estland ongeveer 1,3.miljoen inwoners heeft, evenveel als de provincie Utrecht. Met één klein verschil: dáár is ruim 13% van de beroepsbevolking werkloos. Daarmee wil ik zeker niet beweren dat men de garanties niet kan nakomen, maar het is wel een punt van aandacht. Terug naar de rentetarieven. Die liggen een fractie boven die van de meestbiedende banken in Nederland. NIBC.Direct biedt bijvoorbeeld op het moment van schrijven ook 4,5% voor een tienjarig vast deposito en komt bij vijf jaar vast tot een rente van 4,0%. LeasePlanBank geeft 4,0% voor vijf jaar vast, maar houdt
vooralsnog de deuren gesloten voor nieuwe spaarders. SNS. Bank geeft 3,5% rente voor vijf jaar vast. Dat zijn marginale verschillen. Ik hecht veel waarde aan ons eigen depositogarantiestelsel. De Nederlandse banken beginnen weer wat vlees op de botten te krijgen en zij staan in eerste instantie garant voor uw geld. Van Estland heb ik geen goed beeld. Alleen al daarom denk ik dat Bigbank wat meer zou moeten bieden om de Nederlandse klant voor zich te winnen. Dat ‘big’ van die bank is overigens relatief. Trots meldt men dat in de
eerste negen maanden van 2010 een winst van drie miljoen euro is geboekt. Het gemiddelde regiokantoor van de Rabobank doet het in de regel heel wat beter.
